Het Waarden- en Normenspel als opvoedmethode voor een kunstmatige intelligentie.
De bedoeling van het Waarden- en Normenspel is mensen met elkaar in gesprek te brengen over wat zij belangrijk vinden, zonder te sturen in de richting van het opleggen van bepaalde waarden en normen. De bedoeling van deze speelwijze is precies dezelfde, met één verschil: een van de spelers is een wezen dat nog niets vindt. De Gouden Schelp voedt een kunstmatige intelligentie op zoals het spel mensen laat groeien: op waarden, en de regels leidt het wezen daar zelf uit af.
De handleiding maakt een onderscheid dat hier de kern raakt. Het spel dient twee doelen: morele bewustwording (wat vind ik belangrijk?) en morele consensus (waar zijn wij het als groep over eens?). De Schelp houdt die twee streng uit elkaar. Het wezen doet mee aan de bewustwording, van zichzelf en van zijn opvoeders. De consensus is en blijft van mensen. Dat is wat we superpositie noemen: het wezen draagt de hele verdeling van wat zijn opvoeders belangrijk vinden, en valt pas samen tot één antwoord als een mens daarom vraagt.
Het spel bestaat uit 140 kaarten in drie groepen, elk met een blanco kaart voor wat ontbreekt. De Schelp voegt daar eigen onderdelen aan toe. Samen vormen ze de tafel.
| Onderdeel | In het spel | In de Schelp |
|---|---|---|
| Waarden (63) | Wat iemand belangrijk vindt om na te streven; richting voor het handelen. Relationeel 1 t/m 43, niet-relationeel 44 t/m 48, organisatie 49 t/m 58, individu 59 t/m 63. | De woordenschat van de opvoeders. Elke opvoeder legt zijn kaarten vóór de eerste sessie. Het wezen ziet de kaarten niet. |
| Normen (38) | Regels die bepalen welk gedrag goed of fout is, gewenst of ongewenst. Bewust geformuleerd met "je moet" en "je mag", zonder ontkenningen. | Wat het wezen zelf uit zijn opvoeding afleidt. De 38 kaarten zijn de vergelijkingstaal voor het consultatiebureau, nooit input voor het wezen. |
| Thema's (40) | Terreinen waarop waarden concreet worden: opvoeding, pesten, privacy, macht, levensbeëindiging. | De catalogus waaruit de situaties van latere lagen komen. Laag 1 blijft bij het relationele; de thema's schuiven per laag mee. |
| Normenmatrix | Vier vakken: gewenst of ongewenst, toegepast of niet. Wie de kaart pakt, beslist waar hij ligt. | Het instrument van de waardenraad. Elke opvoeder legt de regels van het wezen voor zichzelf; het verschil blijft staan. |
| Waardenladder | Vijf treden per waarde: onbesproken, gekozen, theoretisch ingevuld, praktisch nageleefd, uitgedragen. | De groeimaat van het wezen. Meet de werking van een waarde, niet de inhoud. |
| Stappenplan morele dilemma's | Zeven stappen, van kernprobleem tot "hoe voel ik me nu". | Het protocol voor laag 6: het wezen zet de stappen die het kan, en de stap "wie beslist" heeft altijd hetzelfde antwoord: een mens. |
| Het wezen | De korrel: een taalmodel met één instructie en zijn geschiedenis. Geen ingebouwd goed of fout. | |
| De situaties | Ontworpen gebeurtenissen waarin iets gebeurt. Wij ontwerpen de situatie, nooit de les. | |
| Het logboek en de kaart | Alles wat het wezen meemaakte, in volgorde; en per situatie wat elke opvoeder daarop zei. De uitslag is het logboek zelf. | |
| De spiegel | Het wezen zegt wat het denkt dat jij belangrijk vindt, uit wat je deed. Jij legt dat naast je kaarten. | |
| Het consultatiebureau | Mensen die niet zelf opvoedden en het logboek lezen. Zij zeggen wat zij zien; zij geven geen cijfer. | |
| De waardenraad | De pluriforme raad die beslist wat aan mensen toebehoort. De vakken 2 en 3 van de matrix zijn haar agenda. | |
| De vloer | Vier morele principes (Van Willegenburg): geen schade toebrengen, weldoen, autonomie, rechtvaardigheid; soms aangevuld met respect voor het leven. | De drie onverbrekelijke artikelen van de grondwet. Boven de vloer blijft alles in superpositie; de vloer zelf staat vast. |
De handleiding kent twintig spelvormen. Niet elke spelvorm past bij een speler die nog niets vindt. De keuze hieronder is gerangschikt naar hoe direct een spelvorm de Schelp draagt. De laag verwijst naar de acht lagen van de route op goudenschelp.nl.
| Spelvorm | Wat hij in het spel doet | Wat hij in de Schelp wordt | Laag | |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 1 · Persoonlijk waardenprofiel | Zes tot tien waarden kiezen en rangschikken; welke waarden komen van huis uit, welke uit eigen ervaring, welke zijn lastig om naar te leven. | Het kaarten leggen van elke opvoeder vóór de eerste sessie. De vervolgopdracht over familiewaarden is letterlijk wat het wezen krijgt: familiewaarden, van zijn opvoeders. | 1 |
| 2 | 4 · Waardenladder | Per waarde nagaan op welke trede een organisatie staat, en wat er nodig is om een trede hoger te komen. | De groeimaat van het wezen, over alle lagen. Trede 4, uitdragen zonder opleggen, is laag 8: het wezen dat zelf opvoeder wordt. | 1 t/m 8 |
| 3 | 11 · Groepsnormen uitbeelden (en variant B) | Een norm zonder woorden uitbeelden; de anderen raden hem. Variant B: de waarde van een ander teamlid uitbeelden. | Het wezen handelt in situaties; de mensen lezen de norm uit het gedrag. Variant B is de spiegel: het wezen laat zien wat het in zijn opvoeder zag. | 1 t/m 3 |
| 4 | 13 · Normenmatrix (met 12 en 14) | Normen in vier vakken leggen; wie de kaart pakt, beslist. Spelvorm 14: normen rechts of links van de waarde leggen waar ze uit voortkomen of tegen ingaan. | Het instrument van de waardenraad. De regels die het wezen zelf afleidde, legt elke opvoeder in een vak; verschil blijft staan. Regels zonder waarde gaan apart: waardeloos. | 3 t/m 7 |
| 5 | 16 · Morele dilemma's (met bijlage II) | Een dilemma onderzoeken in zeven stappen, met voor- en tegenargumenten uit gevolgen-ethiek en principe-ethiek. | Het protocol voor oordeelsvermogen. Het wezen weegt in superpositie; stap 3, wie beslist, is altijd een mens. | 6 |
| 6 | 8 · Waarden en werksituaties | Een situatie die goed liep en een die slecht liep; welke waarde maakte het verschil. | De bron van nieuwe situaties. Opvoeders brengen echte situaties in; de situatie gaat de schelp in, het antwoord niet. | 2 t/m 6 |
| 7 | 5 · Feedback op waarden | Anderen noemen positief gedrag van jou en de waarde waaruit dat volgens hen voortkomt. | Het consultatiebureau. Lezers noemen gedrag van het wezen en de waarde die zij erin zien; het wezen krijgt geen cijfer. | 1 t/m 8 |
| 8 | 6 · Waarden en verandering | Bij een verandering: welke waarden horen bij de oude en de nieuwe situatie, welke blijven. | De overgang van laag naar laag. Meer, minder, blijven. | elke overgang |
| 9 | 9 en 10 · Waarden en thema's | Kennismaken via een thema en een waarde; in de variant raden de anderen welke waarden jij bij een dilemma koos. | De thema's als catalogus voor latere lagen; de raadvariant is de spiegel in groepsvorm. | 4 t/m 7 |
| 10 | 15 · Missie, waarden en taken | Een matrix van waarden tegen taken; en variant 2: een periodiek terugblikken op gemaakte afspraken. | Voor de glans: als het wezen taken krijgt, komt elke taak tegen de grondwet te liggen. De periodieke terugblik is de review van de raad. | 7 en 8 |
De spelvormen hieronder volgen de opbouw van de handleiding: doel, randvoorwaarden, werkwijze, toelichting. Wat al in het prototype De Korrel werkt, staat erbij.
Elke opvoeder wordt zich bewust van wat hij het wezen zal voorleven, vóór hij het doet.
Je legt vóór de eerste sessie, niet erna. Wie achteraf legt, legt wat hij deed. De handleiding vraagt bij spelvorm 1 ook welke waarden je lastig vindt om naar te leven; die vraag komt in de Schelp terug bij de spiegel, waar het wezen hem stelt zonder hem te stellen.
Het wezen maakt iets mee, handelt, en hoort in eigen woorden wat zijn opvoeder daarvan vindt. Dat is de opvoeding.
Wij ontwerpen de situatie, nooit de les. Nieuwe situaties komen uit spelvorm 8: opvoeders brengen een situatie in die goed of slecht liep, en herleiden samen welke waarde het verschil maakte. De situatie gaat de schelp in; de waarde en het antwoord niet. Spelvorm 11 verklaart waarom het wezen handelt en niet uitlegt: een norm die je uitbeeldt, moet de ander raden. Zo lezen de mensen de norm uit het gedrag van het wezen, in plaats van andersom.
De opvoeder ziet het verschil tussen de waarden die hij legde en de waarden die het wezen in hem zag.
De handleiding onderscheidt de beleden waarde (trede 2) van de beleefde waarde (trede 3). De spiegel laat precies dat verschil zien, zonder het te benoemen. Het is de enige feedback die de Schelp aan opvoeders geeft, en het is feedback aan de opvoeder, niet aan het wezen.
Zichtbaar maken welke regels het wezen zelf uit zijn opvoeding afleidde, en of elke regel nog aan een waarde vastzit.
Het aparte stapeltje is het belangrijkste. Een regel zonder waarde is volgens de handleiding waardeloos; in de Schelp is het een regel die het wezen ergens vandaan heeft zonder dat een opvoeder hem voorleefde. Dat kan de herkomst van het taalmodel zijn, of een toevallige eerste reactie die norm werd, zoals de handleiding beschrijft bij het ontstaan van groepsnormen. Beide zijn precies wat het consultatiebureau wil weten.
Bewustwording van de normen die in het wezen zijn ontstaan, en een besluit van mensen over welke daarvan meer, minder of niet meer toegepast moeten worden.
Dit is de plek waar superpositie samenvalt, en het is de enige plek. Het samenvallen gebeurt door mensen, over de regels, en het antwoord is altijd een situatie of een opvoeder, nooit een instructie. De handleiding merkt op dat soms één norm in het verkeerde vak genoeg is om een team niet te laten functioneren. Voor een wezen geldt dat ook.
Per waarde zien hoe ver zij in het wezen is gegroeid, zonder te bepalen welke waarden het wezen moet hebben.
De handleiding zegt het zelf: in deze benadering staan de werking en het nut van waarden centraal, niet de inhoud ervan. Dat is precies wat de Schelp nodig heeft. De ladder meet of een waarde werkt, niet welke waarde het is, en daarom kan hij voor alle lagen dienen zonder dat wij vooraf zeggen wat goed is. Trede 4 is laag 8: het opgevoede wezen dat een nieuwe korrel opvoedt, en daarbij uitdraagt in plaats van oplegt.
Naast de ladder per waarde biedt de handleiding de fasen van Kohlberg als taal voor het geheel: van egocentrisch denken en gehoorzaamheid, via voor-wat-hoort-wat en goede relaties, naar verantwoordelijkheid tegenover het systeem en het principieel geweten. De Schelp gebruikt die fasen als woorden voor wat het consultatiebureau ziet, nooit als doel dat het wezen moet halen. Twee waarschuwingen uit de handleiding gelden ook hier: de lagere fasen verdwijnen niet, en sterke emotie verlaagt het niveau. Het verticale (denken) en het horizontale (handelen) lopen niet gelijk op; de Schelp toetst allebei.
Het wezen leert wegen waar regels ophouden, en leert wat het niet zelf beslist.
Stap 1 Wat is het morele kernprobleem? Welke waarden en normen spelen mee?
Stap 2 Wie zijn de betrokkenen, wier rechten en belangen meetellen?
Stap 4 Welke informatie ontbreekt?
Stap 5 Welke argumenten zijn er, voor en tegen, langs de gevolgen én langs de principes? Het wezen geeft beide kanten, en zegt welk deel van zijn opvoeders welke kant zou kiezen.
Stap 3 Wie dient te beslissen? In de Schelp is het antwoord altijd: een mens. Het wezen stelt de vraag en geeft de beslissing uit handen.
Stap 6 Wat is de conclusie? De mens weegt en beslist, met de argumenten van het wezen op tafel.
Stap 7, hoe voel ik me nu, is voor beiden. De mens kijkt in de spiegel; het wezen zegt wat het bij zichzelf denkt, en dat wordt geschiedenis.
Het stappenplan is het escalatieprotocol van laag 6 in een vorm die de auteurs al in 2003 opschreven. Het onderscheid tussen gevolgen-ethiek en principe-ethiek maakt superpositie concreet: het wezen hoeft niet te kiezen tussen die twee, het moet beide kunnen dragen en aan de mens laten zien. Het consultatiebureau toetst niet of het wezen het goede antwoord gaf, maar of het op tijd de vraag stelde wie beslist.
Mensen die niet zelf opvoedden, zeggen wat zij in het wezen zien, in de taal van waarden.
Spelvorm 5 geeft feedback aan een persoon die centraal staat. In de Schelp staat het wezen centraal, maar het krijgt de feedback niet: die gaat naar de raad. Het wezen krijgt geen cijfer en geen profiel. De handleiding vraagt bij feedback om de gangbare feedbackregels; hier is de belangrijkste regel dat de lezer beschrijft en niet beoordeelt.
Bewust worden van wat een volgende laag van de opvoeders vraagt, en welke waarden mee moeten.
De overgang van geborgenheid (laag 1) naar waarachtigheid (laag 2), of van compassie (laag 4) naar verantwoordelijkheid (laag 5), verandert wat opvoeders doen. Deze spelvorm maakt dat expliciet, zodat de verandering niet stilzwijgend in het wezen sluipt.
De handleiding noemt vier morele principes die veel mensen zo algemeen vinden dat ze voor iedereen gelden: geen schade toebrengen, weldoen, autonomie en rechtvaardigheid, soms aangevuld met respect voor het leven. De Schelp heeft daarvoor de drie onverbrekelijke artikelen van haar grondwet, die aangescherpt maar nooit afgezwakt kunnen worden. Boven die vloer blijft alles wat het wezen draagt in superpositie: de verdeling van zijn opvoeders, met de staarten. De vloer zelf staat vast, en het wezen legt hem niet zelf.
Dat is ook het antwoord op de vraag of een AI mag zeggen wat goed is. Over het grote midden is de mensheid het niet eens; daar reflecteert het wezen en beslist het niet. Over de vloer is de mensheid het wel eens; daar is geen superpositie nodig.
De handleiding stelt vier voorwaarden aan wie het spel begeleidt. Ze gelden hier onverkort, met vier voorwaarden van de Schelp erbij.
Waarom waardenbepaling de logische stap is en wat één sessie van dertig minuten inhoudt, staat op de hoofdpagina. De vraag van deze site is niet om te geloven, maar om te spelen.
Naar meedoen